|
|
|
Wat Omzetten
van een verhaal of een tekst in een reeks spelhandelingen, gewoonlijk met
gerichte voorbereiding en spelopdracht, waarbij het geheel kan gepresenteerd
worden. Doel Bij
het dramatiseren van een verhaal gaat het erom dat de leerlingen de
gebeurtenissen uit het verhaal aan den lijve ervaren. -
het verhaal kunnen begrijpen -
bij zichzelf een zekere affiniteit met de personages uit het verhaal kunnen
ontdekken -
kunnen dramatiseren en er plezier in krijgen -
geboeid kunnen worden door het spel Materiaal Een
geschikt verhaal: -
veel actie, veel personen, dieren, planten e.d. -
veel stemmingen; geluiden (regen, wind, dieren, voetstappen,...); -
bewegingsdecors: bomen, huizen, golven, korenaren Het
verhaal moet aangepast zijn aan de leeftijd. Klasschikking kinderen
zitten in hoefijzervorm Groepsomvang klasgroep Tijdsduur ca
2 lestijden Verloop 1.
Aanbieden van het verhaal -
ofwel vertellen: suggestief, zonder al te veel zelf te dramatiseren -
ofwel voorlezen -
ofwel individueel lezen 2.
Navertellen 3.
Vragen stellen i.v.m.- personen, plaatsen, stemmingen, intrige: -... wie komen er voor in het verhaal ? -... wat is dat voor iemand ? (beroepen) -... hoe oud ? groot ? dik ? -... hoe loopt hij/zij ? -... hoe voelt hij zich ? -... wat hebben ze met elkaar te maken ? Waarom ? (intrige) -... wat doen ze ? (van handeling naar actie; en van actie komen
tot wat er achter zit: handeling!) -... waar wonen ze ? -... waar speelt zich dit verhaal af ? (land, stad, dorp,
streek...) Hier
liggen veel kansen voor spelen, uitbeelden, inleven 4.
Verdeling in scènes: hoofdstukken, bedrijven, taferelen, -
In welke grote delen kunnen we het verhaal verdelen ? -
Hoe gaan de delen in elkaar over ? -
Welke onderdelen zitten er in elk deel ? 5.
Het spelen Is
het eigenlijke dramatiseren: het omzetten van een verhaal in een drama, een
toneelstuk. - Welke scene vinden jullie het leukst ? Het spannendst ? triest
? ... Die scene wordt er uitgelicht en gespeeld. - Welke scène volgt daarop ? - Welke scène ging eraan vooraf ? - Beginnen met de eerste scène enz. Geef
de speelruimte aan! Waar is het huis ? het bos ? het schip ? boven, onder:
bewegingsdecors .... 6.
nabespreking: - Na iedere scene een korte nabespreking: aandacht
voor * individueel spel *
mimiek *
pantomimiek-beweging *
taal-verstaanbaarheid *
rolinleving/intonatie, *
samenspel: mise en scene Opmerking - Dit schema is geen strak patroon.
Zie het als een elastisch geheel, durf ervan af te wijken, sla elementen
over, neem een klein onderdeel eruit. - Laat kinderen al spelende ontdekken. |
Copyyright: EDSCOMMEDIA-webdesign |